A110

Onderstaande aanwijzingen helpen u eventuele storingen snel, maar voorlopig, te verhelpen. Laat de auto echter wel zo spoedig mogelijk door een merkdealer nakijken.

Gebruik van de kaart

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

De kaart kan geen portieren ontgrendelen of vergrendelen.

Batterij van de card leeg.

Vervang de batterij. U kunt uw auto altijd vergrendelen, ontgrendelen en starten (raadpleeg de paragrafen "Portieren vergrendelen, ontgrendelen" in hoofdstuk 1 en "Starten, stoppen van de motor" in hoofdstuk 2).

Gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de card werken (mobiele telefoon, enz.).

Schakel de apparatuur uit of gebruik de ingebouwde sleutel van de kaart (raadpleeg de paragraaf "Portieren vergrendelen, ontgrendelen" in hoofdstuk 1).

De auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.

Accu van de auto ontladen.

Gebruik de in de card ingebouwde sleutel van de kaart (raadpleeg de paragraaf "Portieren vergrendelen, ontgrendelen" in hoofdstuk 1).

De motor van de auto is gestart.

Terwijl de motor draait, is het niet mogelijk om de auto te ver-/ontgrendelen met de kaart. Zet het contact uit.

Desynchronisatie van de kaart.

Ontgrendel het bestuurdersportier door de ingebouwde sleutel van de kaart in het portierslot te steken (zie "Portieren vergrendelen/ontgrendelen" in hoofdstuk 1), plaats vervolgens de kaart op het daarvoor bestemde gebied (zie "Motor starten/stoppen" in hoofdstuk 2) en druk op de knop START om de kaart te synchroniseren.

U schakelt de startmotor in

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

De controlelampjes op het instrumentenpaneel gaan zwakker of niet branden, de startmotor draait niet.

Accuklemmen niet goed vastgezet, los of geoxideerd.

Vastzetten, aansluiten of reinigen indien geoxideerd.

Accu ontladen of defect.

Sluit een andere accu aan op de ontladen accu. Raadpleeg de informatie over "Accu: pechhulp" in hoofdstuk 5 of vervang de accu indien nodig.

Duw de auto niet aan als de stuurkolom is vergrendeld.

Circuit defect.

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

De motor wil niet starten.

De voorwaarden voor het starten zijn niet vervuld.

Raadpleeg de paragraaf "Starten/stilzetten van de motor" in hoofdstuk 2.

De handsfree-kaart werkt niet.

Steek de card in de lezer voor het starten.

Raadpleeg de paragraaf "Starten/stilzetten van de motor" in hoofdstuk 2.

Hoog stationair toerental bij stilstaande auto en koude motor.

Dit is meestal geen defect. Het kan worden veroorzaakt door de stijgende temperatuur van de motor.

Het stationair toerental van de motor moet na ongeveer een minuut zakken. Zo niet dan is er mogelijk een andere oorzaak. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

De motor weigert te stoppen.

Card niet gedetecteerd

Steek de card in de kaartlezer.

Elektronische storing.

Druk vijf keer snel op de startknop.

De stuurkolom blijft vergrendeld.

Stuurwiel geblokkeerd.

Beweeg het stuurwiel terwijl u de startknop van de motor ingedrukt houdt (raadpleeg de paragraaf "Starten van de motor" in hoofdstuk 2).

Elektrische installatie defect.

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Tijdens het rijden

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

Trillingen.

Banden te zacht, beschadigd of uit balans.

Controleer de spanning van de banden: als dit niet de oorzaak is, laat hun staat dan door een merkdealer controleren.

Witte rook uit de uitlaat.

Dit is meestal geen defect. Afhankelijk van de weersomstandigheden (koud, vochtig enz.), kan er bij sterk accelereren rook ontstaan.

Laat het toerental zakken en vermijd plots accelereren, zodat de rook geleidelijk verdwijnt. Zo niet dan is er mogelijk een andere oorzaak. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Rook onder de motorkap.

Kortsluiting of lekkage van het koelcircuit.

Stop, zet het contact uit, ga bij de auto vandaan en roep de hulp in van een merkdealer.

Het waarschuwingslampje voor de oliedruk gaat branden:

in een bocht of tijdens het remmen

Het peil is te laag.

Voeg motorolie toe (raadpleeg de paragraaf “Motoroliepeil (bij)vullen” in hoofdstuk 4).

dooft langzaam of blijft branden bij gas geven

Te lage oliedruk.

Stop en roep de hulp in van een merkdealer

Tijdens het rijden

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

Het sturen gaat zwaar.

Oververhitting van de bekrachtiging.

Probleem met de elektrische bekrachtigingsmotor.

Storing in het hulpsysteem.

Rijd voorzichtig bij lage snelheid, let op de kracht die u moet zetten op het stuurwiel om de wielen te draaien. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

De motor wordt te warm. De koelvloeistoftemperatuurmeter staat in de gevarenzone en het waarschuwingslampje verschijnt.

Koelventilateur defect.

Zet de motor af en roep de hulp in van een merkdealer.

Koelvloeistoflekkage.

Controleer het koelvloeistofreservoir: er moet vloeistof in zitten. Als het leeg is, raadpleeg zo snel mogelijk een merkdealer.

De vloeistof in het expansievat borrelt.

Mechanische storing: koppakking opgeblazen.

Zet de motor stil.

Roep de hulp in van een merkdealer.

warning

Radiateur: als er veel te weinig koelvloeistof is, mag deze niet worden bijgevuld met koude koelvloeistof wanneer de motor nog erg heet is. Na elke reparatie waarbij het koelsysteem geheel of gedeeltelijk is afgetapt, moet dit met nieuwe koelvloeistof worden bijgevuld. Gebruik hiervoor alleen door onze technische diensten goedgekeurde koelvloeistof.

Elektrische apparaten

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

De ruitenwissers werken niet.

Ruitenwisserbladen kleven.

Maak de wisserbladen los van de ruit.

Elektrische installatie defect.

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Zekering beschadigd.

Vervang de zekering of laat deze vervangen; raadpleeg de paragraaf "Zekeringen" in hoofdstuk 5.

De ruitenwisser stopt niet.

Elektrische verstelling defect.

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Knipperfrequentie te hoog.

Het licht is defect.

Raadpleeg de paragrafen "Koplamp: vervangen van een lamp" of "Achterlichten en markeringslichten: vervangen van een lamp" in hoofdstuk 5.

De knipperlichten werken niet.

Elektrische installatie of schakelaar defect.

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Zekering beschadigd.

Vervang de zekering of laat deze vervangen; raadpleeg de paragraaf "Zekeringen" in hoofdstuk 5.

De koplampen of andere lichten schakelen niet in of uit.

Elektrische installatie of schakelaar defect.

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Zekering beschadigd.

Vervang de zekering of laat deze vervangen; raadpleeg de paragraaf "Zekeringen" in hoofdstuk 5.

Elektrische apparaten

MOGELIJKE OORZAKEN

WAT TE DOEN

Condens in de koplampen of achterlichten.

Condens is een normaal verschijnsel dat door variaties in temperatuur en vochtigheid kan worden veroorzaakt.

In dat geval verdwijnen de sporen geleidelijk aan als de lichten branden.

Het waarschuwingslampje van het niet dragen van de autogordels vooraan brandt niet in overeenstemming met het vastmaken van de autogordels.

Een voorwerp tussen de vloer en de stoel hindert de werking van het opname-element.

Verwijder elk voorwerp onder de stoelen vooraan.