A110

Introductie

Ultrasone sensoren, zoals aangegeven met pijlen 1, zijn in de bumpers gemonteerd om obstakels in de buurt van de auto te detecteren.

De functie waarschuwt de bestuurder via geluidssignalen en een display dat het gebied aangeeft waar het obstakel werd gedetecteerd.

Afhankelijk van de apparatuur detecteert het systeem obstakels voor, achter en aan de zijkanten van de auto.

Het systeem van de parkeerhulp wordt pas ingeschakeld als de auto langzamer dan ongeveer 10 km/uur rijdt.

Het systeem houdt geen rekening met sleep- of draagsystemen die niet door het systeem worden herkend.

warning

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.

Deze functie kan nooit de oplettendheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen bij het achteruit manoeuvreren.

De bestuurder moet altijd bedacht zijn op plotselinge gebeurtenissen tijdens het rijden: let dus bij het manoeuvreren altijd op uw blinde hoek en kijk of daar geen kleine, smalle obstakels (zoals een kind, dier, kinderwagen, fiets, steen, paaltje, enz.) zijn.

warning

Bij het manoeuvreren kan de auto aan de onderkant ergens tegenaan rijden (bijvoorbeeld contact met een paaltje, een trottoir of ander stadsmeubilair) en daardoor beschadigd raken (bijvoorbeeld vervorming van een as).

Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merkdealer laten controleren.

Locatie van de ultrasoonsensoren

Zorg ervoor dat de ultrasoonsensoren, aangeduid door de pijlen 1, niet worden afgedekt (door vuil, modder, sneeuw, een slecht gemonteerde kentekenplaat), geraakt, aangepast (inclusief lakwerk) of belemmerd door een accessoire aan de voorkant of (afhankelijk van het voertuig) de achterkant of zijkanten van uw voertuig.

Werkzaamheden

Door het display A wordt de omgeving van de auto weergeven en worden geluidssignalen gegeven.

Waarneming van obstakels

Het systeem detecteert de meeste objecten achter en, afhankelijk van de uitrusting, vóór de auto.

De frequentie van het geluidssignaal stijgt naargelang de afstand van het obstakel korter wordt, tot één onafgebroken piepgeluid op ongeveer 30 cm van het obstakel voor of achter de auto.

Het gebied waar het obstakel is gedetecteerd, wordt weergegeven (display B). Afhankelijk van de auto wordt het gebied groen, oranje of rood weergegeven, ook afhankelijk van de nabijheid van het gedetecteerde obstakel.

tip

Opmerking: als de rijrichting verandert tijdens een manoeuvre, wordt het risico op een botsing met een obstakel mogelijk te laat gesignaleerd.

Activeren/deactiveren

U kunt parkeerhulp inschakelen/uitschakelen via het instellingenmenu Menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto.

Automatisch uitschakelen van de parkeerhulp

Het systeem schakelt uit:

  • als de auto sneller rijdt dan ongeveer 10 km/u;
  • afhankelijk van het voertuig, als het voertuig langer dan ongeveer vijf seconden stilstaat en er een obstakel is gedetecteerd (bijvoorbeeld in een file, enz.);
  • in de stand N;
  • wanneer een bedieningsfout wordt gedetecteerd.

Storingen

Wanneer het systeem een storing detecteert:

  • er klinkt elke keer bij het inschakelen van de achteruitversnelling ongeveer drie seconden lang een piepgeluid en verschijnt het bericht "Parkeerhulp controleren" en het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel;
  • of het systeem maakt geen geluid (tenzij opzettelijk uitgeschakeld) of er is geen display wanneer de achteruitversnelling is ingeschakeld.

Controleer of de ultrasone sensoren schoon zijn. Als de storing aanhoudt, raadpleeg dan een merkdealer.

tip

Als de auto rijdt met een snelheid van minder dan ongeveer 10 km/u, kunnen sommige geluidsbronnen (motorfiets, vrachtwagen, drilboor, enz.) de geluidssignalen van de parkeerhulp opwekken.

tip

Werkzaamheden/reparaties van het systeem

  • In geval van een botsing kan de uitlijning van de ultrasoonsensoren mogelijk worden gewijzigd, waardoor deze wellicht niet meer naar behoren werken. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
  • Alle werkzaamheden in de buurt van de ultrasoonsensoren (reparaties, vervangingen enz.) moeten worden uitgevoerd door een vakman.

Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.

Storingen van het systeem

Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem verstoren of de correcte werking ervan verhinderen, bijvoorbeeld:

  • slechte weersomstandigheden (regen, sneeuw, hagel, ijzel, enz.);
  • sommige soorten geluid (motorfiets, vrachtwagen, pneumatische boormachine enz.).
  • montage van een niet-compatibele trekhaak of haak.

Risico van vals alarm of afwezigheid van waarschuwingen

Als het systeem zich abnormaal gedraagt, neem dan contact op met een erkende dealer.

tip

Beperkingen voor de werking van het systeem

  • De zones van de ultrasoonsensoren moeten schoon blijven en mogen niet worden gewijzigd, om de goede werking van het systeem te waarborgen.
  • Kleine voorwerpen die dichtbij de auto bewegen (motoren, fietsen, voetgangers, enz.) worden mogelijk niet door het systeem herkend.
  • Het systeem detecteert mogelijk geen obstakels die zich te dicht bij het voertuig bevinden.
  • Het systeem geeft wellicht geen waarschuwing als de andere auto's of obstakels een snelheid hebben die aanzienlijk verschilt van de uwe.
  • Tijdens een koerswijziging tijdens een manoeuvre kan het systeem obstakels met vertraging melden.