A110

Elke stoel is voorzien van een zespunts gordelsysteem. Het bestaat uit:

  • twee schouderbanden 1;
  • twee zijbanden 2;
  • een vergrendelingseenheid 3;
  • twee kruisbanden 4.

De schouderbanden zijn bevestigd aan de zijbanden bij de gesp. De kruisbanden zijn bevestigd aan de vergrendelingseenheid.

Gebruik tijdens het rijden altijd de autogordel. Het niet dragen van de gordel is gevaarlijk en strafbaar. Het niet dragen van de gordel is gevaarlijk en strafbaar.

Stel voordat u wegrijdt uw beste zithouding in en pas daarna voor alle inzittenden de gordelsystemen aan om de beste bescherming te verkrijgen.

De juiste zithouding

  • Ga goed diep in uw stoel zitten (nadat u uw jas of jack en dergelijke hebt uitgetrokken). Dit is belangrijk voor een goede ondersteuning van de rug.
  • verschuif de stoel zodat u makkelijk bij de pedalen kunt komen. Plaats de stoel zo ver naar achteren dat u de pedalen nog net geheel kunt indrukken.
  • Stel de stand van het stuurwiel in.

Het gordelsysteem instellen

Voordat u aan uw rit begint, moet u het gordelsysteem instellen. Dat doet u zo:

  • neem plaats op uw stoel;
  • maak de schouderbanden 1 los door de gordelspanners A omhoog te halen terwijl de uiteinden 6 van de betrokken banden worden teruggelaten;
  • maak de zijbanden 2 los door de gordelspanners B omhoog te halen terwijl de uiteinden 6 van de betrokken banden worden teruggelaten.

Opmerking: de spanners A en B herpositioneren zich automatisch.

Ga stevig tegen de rugleuning zitten, plaats de vergrendelingseenheid 3 onder uw navel en vergrendel vervolgens elk van de twee gespen in de bijbehorende sluitingen op de vergrendelingseenheid 3.

Trek stevig aan de uiteinden 6 om de banden aan te spannen. De spanners A moeten op de borstspieren rusten. Als dat niet het geval is, pas dan de lengte van de schouderbanden aan en laat de spanners Azakken.

warning

Het risico bestaat dat een verkeerd afgesteld gordelsysteem bij een ongeval letsel kan veroorzaken.

Het gebruik van het voertuig wordt niet aanbevolen voor zwangere vrouwen, maar ook zwangere vrouwen moeten hun gordelsysteem gebruiken.

Let in dit geval op dat de gordelbanden niet teveel druk uitoefenen op de navel, echter zonder dat er te veel speling ontstaat.

Vergrendelen

Controleer of de hendel 5 in de verlaagde stand staat. Vergrendel de gespen van de schouderbanden 1 in hun bijbehorende sluitingen in de vergrendelingseenheid 3. Controleer of ze goed vastzitten door aan elk van de banden te trekken.

warning

Verander niets aan de oorspronkelijk gemonteerde onderdelen van het veiligheidsmechanisme: gordelsysteem, stoelen en hun montagepunten.

  • Gebruik geen voorwerpen die speling kunnen geven in de gordelbanden (zoals wasknijpers, klemmetjes, enz.): een gordelsysteem dat te los zit, kan bij een ongeval verwondingen veroorzaken.
  • Draag de schoudergordelbanden nooit onder uw armen of achter uw rug.
  • Een gordelsysteem mag nooit door meerdere personen tegelijk gebruikt worden. Haal uw gordelsysteem ook nooit om een baby of een kind heen dat op uw schoot zit.
  • De gordelbanden mogen niet gedraaid zijn.
  • Na een ongeval moet u de gordelsystemen laten controleren en zo nodig vervangen. Vervang uw gordelsysteem ook altijd als dit tekenen van slijtage vertoont.
  • Plaats geen voorwerpen in de nabijheid rondom de vergrendelingseenheid van het gordelsysteem, dit kan de goede werking ervan belemmeren.

Ontgrendelen

Kantel de hendel 5. De gordelbanden komen los uit de vergrendelingseenheid 3. Controleer of de hendel terugkeert naar de lage stand. De kruisbanden zijn vast verbonden met de vergrendelingseenheid.