Starten met de handsfree-kaart
De kaart moet zich binnen de detectiezone 1 bevinden.
Druk, met de versnellingsbak in stand P of N (zie "Automatische transmissie" in hoofdstuk 2) en uw voet op het rempedaal, op knop 2 om de motor te starten.
"Handsfree" starten met geopende achterklep
In dat geval mag de kaart zich niet in de bagageruimte bevinden, om te vermijden dat u ze kwijtraakt.
warning
Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen, enz.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
De auto starten met de kaart met afstandsbediening
Als u bent ingestapt, steekt u de kaart met de ingebouwde sleutel naar u toe gericht, zo diep mogelijk in de kaartlezer 3.
Druk, met de versnellingsbak in stand P of N (zie "Automatische transmissie" in hoofdstuk 2) en uw voet op het rempedaal, op knop 2 om de motor te starten.
Bijzonderheden
- Als niet is voldaan aan één van de startvoorwaarden, verschijnt het bericht "Trap het rempedaal in + starten" of het bericht "Zet versnellingshendel in P" wordt weergegeven op het instrumentenpaneel.
- in sommige gevallen moet het stuurwiel worden bewogen bij het indrukken van de startknop 2 om het ontgrendelen van de stuurkolom mogelijk te maken: in dit geval waarschuwt, het bericht "Draai stuurwiel + START" u daarvoor;
Functie accessoires
(contact aanzetten)
Zodra u bent ingestapt, kunt u een aantal functies van de auto (radio, navigatiesysteem ruitenwisser, enz.) gebruiken.
Voor andere functies:
- Auto's uitgeruste met een "handsfree"-kaart: druk met de kaart in de auto op de knop 2 zonder de pedalen in te trappen;
- auto's met een kaart met afstandsbediening: steek de kaart in de lezer 3.
tip
Controleer voordat u start, of de ventilatieroosters 4 niet zijn afgedekt.
Storingen
In sommige gevallen werkt de handsfree kaart niet:
- kaartbatterij leeg, accu ontladen, enz.
- in de buurt van een apparaat dat dezelfde frequentie als de kaart gebruikt (monitor, mobiele telefoon, gameconsole enz.);
- De auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.
Het bericht "Kaart invoeren" verschijnt op het instrumentenpaneel.
Trek de kap 5 aan de kleppen 6 los.
Steek de kaart zo diep mogelijk in de kaartlezer 7.
Voorwaarden voor het stoppen van de motor
De auto moet stilstaan en de selecteurhendel in stand P of N (zie "Automatische transmissie" in hoofdstuk 2).
Bijzonderheid
Afhankelijk van de auto stoppen de accessoires (radio enz.) met werken zodra de motor wordt uitgeschakeld of de portieren zijn vergrendeld, of als het bestuurdersportier wordt geopend.
warning
Zet nooit het contact uit voordat de auto compleet stilstaat, anders valt de bekrachtiging weg. Als de motor niet meer draait, zijn er geen stuur- en rembekrachtiging meer. Ook werken veiligheidsvoorzieningen, zoals airbags en gordelspanners, niet meer.
Handsfree-kaart
Druk met de kaart in de auto op de knop 2: de motor wordt uitgeschakeld. De stuurkolom vergrendelt bij het openen van het bestuurdersportier of bij het vergrendelen van de auto.
warning
Controleer, als u de auto verlaat en vooral als u de kaart bij u hebt, of de motor volledig is uitgeschakeld.
warning
Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen, enz.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Kaart met afstandsbediening
Druk, met de kaart in de lezer 3, op knop 2 om de motor te stoppen. In dit geval vergrendelt de stuurkolom als de kaart uit de lezer wordt gehaald.
Bijzonderheid
Als de kaart niet in het interieur aanwezig is of als de kaartaccu leeg is als de auto stilstaat en u de motor wilt uitzetten, verschijnt het bericht "Kaart afwezig druk lang START" op het instrumentenpaneel: druk ten minste drie seconden op de knop 2.
Functie Stop and Start
Dit systeem zorgt voor een lager brandstofverbruik en vermindert de uitstoot van broeikasgassen.
Het systeem wordt automatisch ingeschakeld wanneer de auto begint te rijden. Tijdens het rijden zet het systeem de motor af (op stand-by) wanneer de auto stilstaat (file, voor een stoplicht enz.).
Omstandigheden waarbij de motor op stand-by wordt gezet
- De auto heeft gereden na de laatste stilstand.
en
- de selecteurhendel staat in stand D, Mof N (zie "Automatische transmissie" in hoofdstuk 2).
en
- het rempedaal wordt (voldoende hard) ingedrukt;
en
- en het gaspedaal wordt niet ingedrukt;
en
- de snelheid is nul gedurende ongeveer 1 seconde
De motor blijft stand-by als stand P is ingeschakeld (raadpleeg "Automatische transmissie" in hoofdstuk 2), of als stand N is ingeschakeld, de parkeerrem is vastgezet terwijl het rempedaal is losgelaten.
Het waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel gaat branden wanneer de motor op stand-by staat.
De uitrustingen van de auto blijven in werking terwijl de motor stilstaat.
warning
Wanneer de motor in stand-by is gezet, wordt de automatische parkeerrem niet automatisch vastgezet.
warning
Rijd niet met de auto wanneer de motor op stand-by staat (het waarschuwingslampje
wordt op het instrumentenpaneel weergegeven).
warning
Voordat u de auto verlaat, moet de motor worden afgezet en niet alleen op stand-by worden gezet (raadpleeg de paragraaf "Starten, stoppen van de motor" in hoofdstuk 2).
Verhinderen dat de motor op stand-by wordt gezet
In bepaalde omstandigheden, zoals bij invoegen op een kruispunt, is het mogelijk om bij geactiveerd systeem de motor draaiende te houden om snel te kunnen starten.
Laat de auto stilstaan, maar druk niet te hard op het rempedaal.
Stand-by uitschakelen
- Het rempedaal is niet ingedrukt en stand D of M is ingeschakeld;
of
- het rempedaal wordt losgelaten, stand N is ingeschakeld en de parkeerrem is losgezet;
of
- het rempedaal wordt opnieuw ingetrapt, stand P is ingeschakeld of stand N is ingeschakeld en de parkeerrem is aangetrokken;
of
- de stand R is ingeschakeld;
of
- het gaspedaal is ingedrukt.
Bijzonderheid: afhankelijk van de auto kan het controlelampje
gedurende enkele seconden verschijnen als u het contact uitzet met de motor op stand-by.
warning
Schakel de motor uit om te tanken (dus niet gewoon stand-by voor voertuigen met de functie Stop and Start): u moet de motor volledig afzetten (zie de informatie in "Motor starten en stoppen" in hoofdstuk 2).
Risico van brand.
Omstandigheden waarbij de motor niet op stand-by wordt gezet
Onder bepaalde omstandigheden kan het systeem de motor niet op stand-by zetten, speciaal als:
- de achteruitversnelling is ingeschakeld;
- het bestuurdersportier niet is gesloten;
- de autogordel van de bestuurder niet is vastgemaakt;
- de buitentemperatuur is te hoog of te laag;
- de accu onvoldoende geladen is;
- het verschil tussen de temperatuur in de auto en de ingestelde temperatuur van de thermostatische airconditioning te groot is;
- de rijmodus Sport of Track is ingeschakeld (zie "Keuze van de rijmodus" in hoofdstuk 2);
- de hoogte is te groot;
- de helling is te steil;
- de functie "Helder zicht" is ingeschakeld (zie "Automatische airconditioning" in hoofdstuk 3);
- de motortemperatuur is te laag;
- ...
Het waarschuwingslampje
verschijnt op het instrumentenpaneel. Dit lampje waarschuwt u dat de motor niet in stand-by kan worden gezet.
warning
Voordat u werkzaamheden kunt uitvoeren in de motorruimte, MOET u het contact uitzetten (zie "De motor starten en stoppen" in hoofdstuk 2).
Bijzondere gevallen
Als de bestuurder, met de motor in stand-by (verkeersopstopping, stilstaan voor een stoplicht enz.), zijn gordel losmaakt, het bestuurdersportier opent of uit zijn stoel komt, wordt het contact verbroken.
De handrem wordt automatisch vastgezet.
Om weer weg te rijden en het systeem Stop and Start weer in te schakelen, start u de motor (raadpleeg de informatie over "Starten, stoppen van de motor" in hoofdstuk 2).
Bijzonderheid van het automatisch weer starten van de motor
Onder bepaalde omstandigheden kan de motor vanzelf weer starten om uw veiligheid en uw comfort te waarborgen.
Dit kan gebeuren wanneer:
- de buitentemperatuur is te hoog of te laag;
- de functie "Helder zicht" is ingeschakeld (zie "Automatische airconditioning" in hoofdstuk 3);
- de accu onvoldoende geladen is;
- de rijsnelheid van de auto hoger is dan 5 km/u (bij afdalen);
- het rempedaal herhaaldelijk wordt ingedrukt of er is een remsysteem vereist;
- ...
Inschakelen, uitschakelen van de functie
Druk de schakelaar 1 in om de functie uit te schakelen: De melding "Stop &; Start gedeactiveerd"verschijnt op het instrumentenpaneel en het indicatielampje van schakelaar 1 brandt.
Met nog een keer indrukken schakelt het systeem weer in. De melding "Stop &; Start geactiveerd"verschijnt op het instrumentenpaneel en het indicatielampje van schakelaar 1 dooft.
tip
Bijzonderheid: druk met de motor op stand-by op schakelaar 1 om de motor automatisch opnieuw te starten.
Het systeem wordt automatisch weer ingeschakeld bij elke start van het voertuig door het indrukken van de startknop (raadpleeg de paragraaf "Starten/stoppen van de motor" in hoofdstuk 2).
Storingen
Als de melding "Controleer Stop & Start" verschijnt op het instrumentenpaneel samen met het waarschuwingslampje 1, geeft dit aan dat het systeem is gedeactiveerd.
Ga naar een merkdealer.
warning
Voordat u de auto verlaat, moet de motor worden afgezet en niet alleen op stand-by worden gezet (raadpleeg de paragraaf "Starten, stoppen van de motor" in hoofdstuk 2).